De muziekkunst van het jachthoornblazen

De jachthoorn wordt geblazen in een formatie waarin meerdere jachthoornblazers in verschillende stemmen samenblazen. Ze brengen muziekstukken waarin de typische 6/8 cadans van jachtfanfares (naar de galop van paarden) afgewisseld wordt met klassiekere ritmes en waarin fortés afgewisseld worden met de zachter geblazen radoucis. Het jachthoornrepertoire breidt nog steeds uit met nieuwe composities of door samenspel met andere muziekinstrumenten zoals orgel, orkest of koor. Het instrument wordt in Vlaanderen gebruikt tijdens concerten of om ceremonieën of feestelijke evenementen zoals Sint-Hubertusvieringen op te luisteren.

Jachthoornblazers vind je niet enkel in Vlaanderen, maar ook in Wallonië, Frankrijk, Luxemburg en Piemonte (Italië). Een gemeenschappelijk instrument smeedt al snel banden,  de verbondenheid tussen groepen en spelers reikt dan ook over grenzen heen. De muziekkunst brengt mensen samen om hun gedeelde passie te beleven, zonder onderscheid te maken tussen leeftijd, geslacht en/of achtergrond. Het sociale aspect is dan ook een belangrijk onderdeel van het jachthoornblazen.

De muziekkunst van het jachthoornblazen gaat verder dan het louter bespelen van het instrument en het repertoire. De geschiedenis van en de cultuur rond het jachthoorngebeuren, inclusief de jachtfanfares, de discipline en het imago van de groep maken eveneens integraal deel uit van de traditie van deze muziekkunst.

Zowel de jachthoorn als het bespelen ervan heeft een bijzonder oude oorsprong. In het verre verleden voelde de mens al de behoefte om tijdens oorlog of jacht over grotere afstanden te communiceren dan zijn stem toeliet. Hieruit ontstond het gebruik van dierenhoorns als signaalinstrument. Door de eeuwen heen is de hoorn geëvolueerd; het gebruik van andere materialen, zoals hout en metaal, en het verlengen van de conische buis boden de mogelijkheid om steeds meer verschillende tonen te maken. Hierdoor evolueerde de hoorn tot een echt muziekinstrument dat gebruikt werd in concerten en kerkdiensten, hetgeen een belangrijkere en serieuzere studie en oefening vereiste.

Zo ontstond ook de Franse jachthoorn, gestemd in re/D. Dit is een “natuurlijke” hoorn, wat wil zeggen zonder ventielen, in tegenstelling tot de orkesthoorn (met kleppen) of de trompet.  Het is markies de Dampierre (1676-1756) die de jachthoorn, uit de kerkorkesten, geïntroduceerd heeft als het instrument ter opluistering van de koninklijke jachten ten tijde van Lodewijk XIV. Hiervoor componeerde hij een groot aantal jachtfanfares. De muziek wordt gekenmerkt door een typische 6/8 cadans, die wel eens wordt vergeleken met de galop van een paard. Tijdens de koninklijke jachtpartijen werd de jachthoorn bespeeld door professionele musici, om ze muzikaal op te fleuren. De fanfares van Dampierre maken nog steeds deel uit van het huidige jachthoornrepertoire. De grenzen van de muziekkunst van de jachthoorn worden echter continu opgezocht door de creatie van werken voor jachthoorn in combinatie met andere instrumenten zoals orgel, piano en harp, orkesten en koren.