Poppenkast, poppentheater en figurentheater

Poppentheater als simpel tijdverdrijf voor kinderen? Er schuilt veel meer achter de poppenkast!

Het doelpubliek van figurentheater blijft (jonge) kinderen, jongeren, volwassenen. Professionele (gesubsidieerde) poppentheaters evolueerden in hun aanbod naar (beeldend) theater met cross-overs, een mengvorm van (theater)technieken. In Vlaanderen zijn er 4 theaters met overheidssubsidie: Froe-Froe, De Maan, De Spiegel, Ultima Thulé. Uit de Werkplaats van Froe-Froe ontstonden enkele nieuwe jonge figurentheatermakers. Daarnaast zijn nog een handvol actief. Bij de amateurs slinkt het aanbod: jongeren voelen zich minder aangetrokken. Wellicht heeft dit te maken met het de foute perceptie, het soms oubollig karakter, het gebrek aan opleiding (ook in DKO-podiumkunsten), de behoefte aan diverse vaardigheden (manipulatie, stemgebruik, vormgeving, techniek, dramaturgie, scenografie, …), het gebrek aan een ‘huis’ voor poppentheater. In het figurentheater kun je ontzettend veel keuzes maken waarbij de kloof tussen professioneel en amateurfigurentheater vergroot. In het amateurtheater wordt eerder gekozen voor de traditie: weinig mengvorm, soms dialect, oudere ‘pure’ speltechnieken, ...

Het aantal beoefenaars en het aanbod wordt in Vlaanderen steeds kleiner. Onbekend wordt onbemind. In het onderwijs wordt jaarlijks themagericht rond poppen gewerkt. Ook daar is er vraag naar ondersteuning op niveau van manipulatie, creatie, mogelijkheden, … Causerieën, lezingen nemen vooroordelen weg. Figurentheaters zetten best - al dan niet in samenspraak met organisatoren - in op ‘totale’ beleving: ontvangstritueel/inleiding vooraf, verwerking/toegankelijkheid backstage na de voorstelling. De behoefte aan workshops of opleidingen is er. Specifieke opleidingen of deskundigen die de praktijk overal in Vlaanderen kunnen doorgeven worden schaars. Recentelijk werd een opleiding figurentheater spelen én maken in Stedelijk Conservatorium Mechelen en in het DKO Aalst opgestart. 

Het beeld van de poppenkast gaat voorbij aan de rijke geschiedenis, de grote variatie en vernieuwingen van het figurentheater. Het poppenspel is erg oud. We vinden het terug in India, China en Indonesië. Het ontstaat op verschillende plaatsten tegelijkertijd en verbeeldt goden, natuurkrachten of geesten. Ontmoetingen tussen culturen zorgen voor een wederzijdse beïnvloeding. Vooral volwassenen kunnen de aantrekkingskracht van het poppenspel niet weerstaan. Vanaf de 16de eeuw krijgt het in Vlaanderen een slecht imago. Men associeert het met bedelaars, marginalen en hekserij. Ook de Spaanse machthebbers zijn bang dat het volkse poppenspel gebruikt wordt om rebelse ideeën te verkondigen, en schaffen het af. Als reactie gaat het volkse poppenspel in poesjenellenkelders (Antwerpen, Luik en Brussel) hun verhalen vertellen. Ook de burgerij ontdekt opnieuw het poppenspel en in de huiskamers van de kleinburgerij treedt de marionet naar voor als een geciviliseerde versie van de handpop. De romantische idee van de ‘maakbaarheid van de mens’ zorgt ervoor dat het poppenspel in de 19de eeuw een belangrijke pedagogische functie krijgt: de poppen tonen kinderen en volwassenen hoe zich te gedragen. Dit opvoedende aspect blijft tot in de 20ste eeuw erg belangrijk. Taal, beeld en beleving staan voorop. Het grote publiek komt aanvankelijk in contact met het poppenspel op kermissen en foren. Dit was al zo in de Middeleeuwen. Begin 20de eeuw verdringen de cinema’s en de mechanische attracties op de foor het poppentheater. De komst van de televisie betekent het einde van veel rondtrekkende poppentheaters. Het traditionele poppenspel - geïnspireerd vanuit Mechelen - overleeft vooral in de klascontext. In de 2de helft van de 20ste eeuw evolueert het internationale poppenspel steeds meer tot een echte kunstvorm. De bredere appreciatie stijgt. In Vlaanderen verloopt de overgang naar een ‘modern figurentheater’ moeizaam. Poppenspel blijft te vaak ‘iets voor kinderen’. Subsidies zijn beperkt. Toch doen zich vernieuwingen door. Ondanks beperkte steun slaagden enkelen erin om zich te professionaliseren en te experimenteren. De ‘kast’ verdwijnt. Begin 21ste eeuw overheerst het beeldende, multimediale, hybride theater en komt het narratieve karakter onder druk.

Er is een sterke behoefte aan een figurentheatercentrum dat verleden, heden en toekomst verbindt. De nood vloeit uit de mate van actiebereidheid in heel Vlaanderen. Het in kaart brengen van alle non-actieve en actieve poppentheaters per provincie, gekoppeld aan een bijhorende expo, is een interessante oefening. Op deze wijze stimuleert men ontmoeting en de behoefte aan verdere planning. Deze theatervorm dient bovendien gerespecteerd en ondersteund te worden in haar eigenheid.