Het beheren en gebruiken van watermolens
Watermolens kwamen in onze streken vooral vanaf het midden van de 9de eeuw tot ontwikkeling. Al sinds de middeleeuwen wordt waterkracht gebruikt als belangrijke energiebron. Het merendeel van de molens die vandaag bewaard zijn gebleven, zijn graanmolens. De waterkracht werd in graanmolens gebruikt voor het luien (optrekken), builen (zeven) en het kuisen van graan, meel en bloem. Eeuwenlang hadden ze ook tal van andere functies zoals het persen van olie, het malen van schors, het zagen van boomstammen, het maken van papierpulp, en zoveel meer. Al in het begin van de vorige eeuw maakten watermolens elektrische stroom.
Tot ver in de twintigste eeuw bleven watermolens in gebruik. Sommige molens, zoals graan- en papiermolens, groeiden zelfs uit tot industriële bedrijven. Waterwielen zetten de kracht van het water om in bruikbare energie die ter plaatse arbeid kon verrichten. Toch raakten veel watermolens in de loop van de twintigste eeuw buiten gebruik of verdwenen ze uit het landschap. De opkomst van stoommachines, diesel- en benzinemotoren betekende zware concurrentie.
Vandaag
In Vlaanderen zijn er tegenwoordig slechts een honderdtal watermolens actief of maalvaardig. Toch zijn er nog een tiental beroepsmolenaars en meer dan driehonderd actieve vrijwillige molenaars. De meesten zijn actief bij windmolens, maar ook watermolens worden door hen draaiende gehouden. Deze molenaars zijn georganiseerd in verschillende verenigingen die opleidingen aanbieden en zich inzetten voor de overdracht van kennis en vaardigheden aan nieuwe generaties ‘Meester Molenaars’. Vandaag hebben recente initiatieven opnieuw watermolens ingezet voor de opwekking van elektriciteit.
De stuw
Een essentieel onderdeel van het molenaarsambacht bij watermolens is het beheer van de stuw. Dit gebeurt op basis van vaak eeuwenoude stuwrechten en daarbij horende maalrecht uit de tijd van de heerlijkheden. Die rechten zijn nog steeds onlosmakelijk verbonden met de watermolen zelf. Maalrecht en het daarbij horende stuwrecht zijn het recht om de waterloop op te stuwen. Deze heerlijke rechten komen uit de tijd waarin Heren zoals hertogen, graven en kloosters het voor het zeggen hadden. Zij waren heer en meester en beschikten over alle rechten in hun eigen gebied of ban. Het banrecht waarmee de Heer zijn onderdanen verplichte om hun graan te laten malen in zijn eigen banmolen is afgeschaft in de Franse Tijd. Het was een manier om belastingen te innen. Maalrecht en stuwrecht gelden voor historische watermolens nog steeds. Ze horen onlosmakelijk bij de molen zoals het dak en de fundering.
De stuwhoogte is meestal aangeduid door een nagel of pegel in de buitendijk. Die geeft dan het maximale niveau aan tot waar een molenaar het water mag opstuwen. Het stuwen van water verhoogt het verval dat nodig is om het waterrad aan te drijven. Vaak wordt het water ’s nachts opgehouden als reserve om tijdens de dag verder te malen. De molenaar regelt daarbij zorgvuldig het waterpeil en de waterdoorstroming in functie van de werkzaamheid van de molen. Deze kennis werd doorheen generaties doorgegeven en is nauw verbonden met het beheer van het omliggende landschap.
Watermolenlandschap
Een landschap met een beek en een watermolen kan best mooi en idyllisch zijn. Op zich is dat mooi meegenomen, maar een watermolenlandschap of molenbiotoop is meer dan dat. Molenaars hebben gedurende eeuwen rivieren en beken verlegt. Vaak moest de waterloop uit de drassige laagte van de vallei hogerop geleid worden. Zo kon op een welgekozen punt een groot verval bekomen worden. Daar kon dan eerst een watermolen gebouwd worden en vervolgens werd het water naar een waterwiel geleid die de waterkracht omzette in arbeid.
De molen is voorzien van verlaten waarin schuiven, bediend door de molenaar, kunnen op en neer gaan. Zo kan het water opgestuwd worden, gelost of benut om het wiel aan te drijven. Al deze activiteiten hebben grote invloed op de omgeving. Door het opstuwen van water verandert niet alleen het waterpeil in de beek of rivier, maar ook het grondwaterpeil stroomopwaarts. Rond watermolens ontstonden specifieke watermolenlandschappen: samenhangende gehelen waarin de molen, de stuw, de beek, leigrachten en sloten, en het bovenstroomse invloedgebied van het opgestuwde water met elkaar verbonden zijn. Zo’n watermolenlandschap kan tot ongeveer 150 hectare beslaan en verschillende verschijningsvormen aannemen.
Veel landschappen die vandaag als ‘natuurlijk’ worden beschouwd, danken hun uitzicht juist aan de vaak eeuwenlange aanwezigheid van een watermolen. Het vakmanschap van de molenaar ontwikkeld zich steeds in nauwe wisselwerking met de lokale ecosystemen en het landschap. Het beheer van watermolenlandschappen vormt daardoor een dynamisch systeem van lokaal waterbeheer, ontstaan uit generaties van ervaring en praktijkkennis.
Duurzaamheid
Voor veel molenaars vormt duurzaamheid een kernwaarde van hun ambacht. Vaak werken zij met een eeuwenoud historisch monument. Bij de bouw en het onderhoud van molens werd traditioneel al sterk ingezet op gebruik en hergebruik van materialen zoals hout. Vele houtsoorten hebben specifieke toepassingen in de molen en de maalinstallatie. Maalstenen gaan honderd jaar mee. Bovendien waren molens de eerste machines die op grote schaal gebruik maakten van hernieuwbare energiebronnen zoals wind- en waterkracht. Watermolens kunnen worden ingezet om water op te houden en de sponswerking van de vallei te benutten, waardoor een rijkere, meer diverse ecologische omgeving ontstaat.
Watermolens zijn bakens in het landschap, ze zijn verbindend en hun ontsluiting vergt vakmanschap en engagement.