Vlechten van bijenkorven in Lille
Vlechten met roggestro
Willy Willems uit Lille maakt bijenkorven volgens de traditionele techniek van het spiraalvlechten. Je kunt spiraalvlechten met heel wat materialen, maar in de Kempen is roggestro ideaal. Roggestro bestaat uit de gedroogde, holle stengels van rogge die overblijven nadat de graankorrels eruit zijn geslagen. Het groeit goed op arme zandgrond van de Kempen, is lang genoeg, waterbestendig en bijzonder geliefd bij bijen. Ook pijpenstrootje heeft die eigenschappen, al is het wat stugger om mee te vlechten.
De rogge moet eind juni met een pik worden geoogst, zodat de graanhalmen lang en onbeschadigd blijven. Vandaag gebeurt het oogsten meestal met een maaidorser, een machine die in één keer maait, dorst en reinigt. Dat is een pak efficiënter, maar de halmen worden daarbij volledig versnipperd. Wie vandaag korven wil vlechten, heeft daarom vaak een eigen graanveldje nodig, zodat de halmen in hun geheel kunnen worden geoogst.
De geoogste graanhalmen worden vervolgens gebundeld in schoven en mogen een week tot veertien dagen drogen op de akker. Daarna worden ze naar binnen gebracht om verder te drogen. Vervolgens worden de graankorrels met een koperen vlegel uit de halmen geslagen. Het graan wordt in oktober opnieuw gezaaid. Met het roggestro dat overblijft kunnen korven worden gevlochten.
Binden met braamstengels
Als bindmateriaal voor korven worden vaak braamstengels gebruikt. Die oogst je het best in het najaar of in de winter, wanneer de stengels één jaar oud zijn en nog geen zijtakken of bramen dragen. De stengels moeten eerst zorgvuldig worden voorbereid.
Eerst worden de doorns verwijderd. Vroeger gebeurde dat met een koehoorn; vandaag kan dat bijvoorbeeld met ringsleutels van verschillende diameters. Daarna wordt de stengel in drie lange strengen gespleten en wordt de zachte merg eruitgekrabd. Om de strengen soepel te maken, worden ze bijvoorbeeld rond een stoelpoot gebogen. Tot slot worden ze opgerold en opgeborgen, klaar om als bindmateriaal te gebruiken.
Het hele proces is een behoorlijk karwei en vraagt meer tijd dan het vlechten van de korf zelf. Daarom kopen veel imkers en korfvlechters in een bijenhandel rotan, een klimplant uit Azië die meteen gebruiksklaar is. Dat is echter een minder duurzame praktijk.
Bijenkorfvlechten
Alvorens kan begonnen worden met het vlechten, moeten het roggestro en de braamstengels eerst bevochtigd worden. Zo worden ze soepel en minder breekbaar, wat het vlechtwerk vlotter maakt.
Het begin van een nieuwe korf is altijd het moeilijkst. Eerst wordt een bundel roggestro samengenomen, dik genoeg om als basis te dienen. Rond die bundel wordt met een braamstengel een knoop gelegd, gevolgd door enkele wikkelingen om het stro stevig samen te houden. Daarbij wordt een priem gebruikt: een metalen staaf met een scherpe punt waarmee ruimte wordt gemaakt tussen het vlechtwerk. Zo kan de braamstengel er makkelijk tussendoor worden gehaald en alles stevig worden vastgezet.
Omdat een bijenkorf rond van vorm is, moet het stro tijdens het vlechten meteen sterk worden omgebogen om de juiste kromming te krijgen. Tegelijk is het belangrijk dat de priem telkens op precies de juiste plek wordt gestoken: afhankelijk van hoe je de priem steekt, wordt de korf meer naar binnen of naar buiten gevlochten.
Tijdens het vlechten wordt de bundel roggestro regelmatig aangevuld zodra die dunner wordt. Dat gebeurt meestal op gevoel, op basis van ervaring en inzicht. Sommige korfvlechters gebruiken hiervoor een vlechtring die helpt om de bundel overal even dik te houden. Tijdens het vlechten wordt ook een kleine opening voorzien waarlangs de bijen later de korf in en uit kunnen vliegen. Willy doet gemiddeld twee dagen over het vlechten van een bijenkorf.
Wanneer de korf volledig is gevlochten, wordt eerst de bovenrand extra verstevigd met bindmateriaal. Daarna worden in de korf houten spijlen aangebracht waarop de bijen hun raten kunnen bouwen. Deze spijlen worden zo geplaatst dat de bijen hun raten loodrecht op het vlieggat kunnen aanzetten, zoals ze dat van nature doen.
Blije bijen
Met de uitvinding van de moderne bijenkast aan het einde van de negentiende eeuw raakte het imkeren met gevlochten korven geleidelijk in onbruik. Hoewel kasten de honingproductie efficiënter en winstgevender maakten, blijken bijen in korven vaak gezonder en weerbaarder. In een gevlochten korf worden de bijen veel minder gestoord en krijgen ze de ruimte om te leven volgens hun natuurlijke ritme. Ze produceren geen grote honingoogsten voor de mens, maar verzamelen gewoon genoeg om hun kolonie gezond de winter door te helpen.
Willy Willems
Van jongs af aan kwam Willy Willems via zijn grootvader in aanraking met het imkeren en het vlechten van bijenkorven. Na diens overlijden begon hij rond zijn zestiende zelf bijen te houden, maar dan in kasten. Enkele jaren geleden startte Willy zelf met het vlechten van korven.
Willy werkt daarbij uitsluitend met natuurlijke materialen uit de omgeving. In samenwerking met Natuurpunt zette hij zich in om in Lille opnieuw enkele veldjes om te vormen tot historische roggeakkers. Voor Natuurpunt is dit een kans om typische akkerkruiden te laten terugkeren; voor Willy biedt het de mogelijkheid om het roggestro te gebruiken dat vrijkomt bij het korenpikken. De braamstengels waarmee hij het stro samenbindt, verzamelt hij zelf langs de bosrand.
Recent startte Willy met het geven van workshops, waarin hij zijn kennis en vaardigheden doorgeeft aan volgende generaties. Daarnaast zet hij zich, samen met andere korfvlechters en in samenwerking met het CAG, actief in om het korfvlechten te laten erkennen als immaterieel cultureel erfgoed. Zo wil hij bijdragen aan het behoud en de toekomst van dit ambacht.
*Deze tekst kwam mee tot stand dankzij erfgoedcel Kempens Karakter